In een gemeenteverslag van 1881 van Nederhemert lezen we over een
steenfabriek behorend aan de Wed. J.G. van Kuijk, toen nog niet onder
de naam Rietschoof. In 1900 wordt melding gemaakt van een fabriek
in aanbouw: de Stoom Pannen- en Steenfabriek de Rijswaard. Er gingen
daar meteen 70 mannen,
4 vrouwen
en 8 jongens aan het werk bij de eigenaar F.Ridder de Huyssens
van Kattendijke.
Ondertussen had De Rietschoof een nieuwe
eigenaar, de heer J.A.Pool. In 1911 werd M.J. van Loben Sels
eigenaar van De Rietschoof, hij werd de latere voorzitter van de
Federatie van Steenfabrieken. In 1918 vestigde de toenmalige
eigenaar van de Rijswaard, de heer Pereboom zich in een riante
villa op het terrein van de Rijswaard, het huis was het evenbeeld
van zijn huis in Heerewaarden, waar hij eerst woonde. Later
woonde in het huis op de Rijswaard de heer van Niekerk, ook
directeur van de fabriek. Even voor de jaren dertig was er een
samenvoeging van de beide fabrieken, in totaal waren er toen 200
arbeiders, bij de Rietschoof werd toen een benzinebewaarplaats
gebouwd en een dubbele arbeiderswoning, de heer P. Van Driel werd
eigenaar van de beide fabrieken. Tot aan de tweede wereldoorlog
ging het slecht , er vielen veel ontslagen omdat de woningbouw
vrijwel stil lag en de concurrentie met asfalt en beton begon te
spelen. In de tweede wereldoorlog kwamen de Rietschoof en de
Rijswaard stil te liggen, er waren geen kolen meer om te stoken,
de paarden werden gevorderd en de mannen gemobiliseerd . Na de
oorlog werden de aandelen van de Rijswaard overgenomen van de
heer P. van Driel door de heer Truyn, een aannemer uit Zwolle. De
heer van Driel behield zelf de Rietschoof. De schoorsteen op de
Rietschoof werd weer opgebouwd en de fabriek draaide weer.
2. WERKZAAMHEDEN
Tijdens de zomermaanden was er op het
fabrieksterrein genoeg te doen. De steenvormen moesten gewassen,
gezand, gevuld en afgestreken worden. Er waren aanschuivers,
afstrijkers, modderkruiers en stokers nodig. Het grondtransport
was zwaar en het inzetten van stenen in een vlamoven was een
grote kunst, ook het uitrijden van de stenen was een slecht
beroep. De wagentjes met stenen moesten uit de drogerij gereden
worden, het gevaar van het oplopen van brandwonden was hier
duidelijk aanwezig, je eigen natte zakdoek was vaak de enige
veiligheidsmaatregel die getroffen werd. Bij plotselinge regen
moesten de stenen die te drogen lagen met rietmatten bedekt
worden, ook geen schoon werk, want de matten zaten vaak vol
vlooien. Verder waren er stalknechten en hitterijders voor de
paarden, later werden deze functies overgenomen door machinisten
op de stoomloks, baggermolens, diesellocs en draglines.
Simon Uittenbogerd was ook aanschuiver, hij
werd in 1963 bevorderd tot stoker op de nieuwe tunneloven.
Achteraf gezien had men vaak levensgevaarlijk werk. Bij net te
hoge temperaturen konden de stenen gaan smelten. Op een keer
waren alle stenen aan de muur gebakken en moesten met hamer en
beitel van de wand gehaald worden, ze hadden alleen koeikes en
oskes, en een natte rug. Het was levensgevaarlijk werk, de
klompen verbrandden aan je voeten. Je moest, terwijl je volkomen
verdroogde door de hitte, geen koud water drinken, dat kon je
dood worden. Wel hete koffie, daar zorgde je maten wel voor. Men
hielp elkaar, men kwam voor elkaar op, als je dat niet deed kwam
je eten en drinken te kort, want het werk ging door. De gesmolten
stenen werden later gebruikt voor rotstuintjes. Er werkten ook
vrouwen en kinderen op het terrein, evenals de mannen droegen ze
ook schorten, een veursloof, vaak gemaakt van keeper, ook
morsmouwen, zodat door de modder de kleding niet al te vuil werd.
Als er baby's waren werden ze vaak op een rietmat gevoed Betje
van Bramme vertelde dat ze helemaal van de overlaat naar de
Rijswaard liep. Vaak ging ze al om zeven uur naar bed, want op
tijd beginnen was een wet, om twee minuten over tijd stond de
baas al op zijn horloge te kijken waar je bleef. Ook kinderen
waren van de partij. Vaak moesten ze op het testveld de stenen
omdraaien. Het liefst zonder klompen, want de ruimte tussen de
stapels werd zo klein mogelijk gehouden, dan konden er meer
stenen staan. De verhalen van vroeger over het werken op een
veldoven liegen er ook niet om. Zondagnacht om 12 uur stonden
mannen, vrouwen en kinderen al klaar om te gaan werken. Bij
plotselinge regen moest iedereen altijd present zijn om zo gauw
mogelijk de stenen die lagen te drogen "te matten", dat
wil zeggen: met rietmatten bedekken. De matten stikten ook vaak
nog van de vlooien.
3. TRANSPORT
De omstandigheden waren met de komst van de stoommachines verbeterd,
waren er eerst alleen maar paarden, in 1916 kwam de eerste locomotief
in actie om het zware werk gedeeltelijk over te nemen. In de wintermaanden
werd de klei van de uiterwaarden vervoerd naar "het stort"
op de steenfabriek de Rietschoof in Aalst. De stoomloc Betty
trok de zestien karretjes met als machinist Gijs Loef aan de stoomschuif.
De oude loc stond op een spoor van 60 cm breed, de nieuwe had een
spoor van 70 cm breed. Er is heel wat afgespeeld rondom de locomotief,
door de natte grond zakten de rails soms scheef waardoor hij een keer
vanzelf op de loop ging. Eerst werden de wagentjes geladen met de
schop, later kwam een dragline met als machinist Jakob (Kaske) Bouman
het zware werk overnemen. De stoomloc is thans eigendom van het Autotron
in Rosmalen en is op dit themapark voorzien van een dieselmotor.
4. ZINGEN
Dat het werken vroeger op de steenfabrieken in Aalst zwaar was wil
iedereen geloven. Toch werd er ook gezongen tijdens het werk. In de
jaren twintig zijn er verschillende liedjes ontstaan over het werk
en het leven van de arbeiders. Het volgende lied werd o.a. gezongen: Wij zijn de jongens van de oven, dat willen de stadse niet geloven.
Wij zijn de jongens van de stenenbakkerij, wij gaan voor de stadse
niet opzij. Wij leven, wij leven voor de stad Schiedam. Een wat minder
opbeurend lied is het volgende: Hij werkte dag en nacht op de fabriek,
zijn geest was versuft, zijn lichaam was ziek. Thuis wachtte moeder
en heel het gezin, want buiten de vader bracht niemand wat in. Moeder
niet huilen, het wordt beter misschien, droog je tranen, ik kan ze
niet zien. Ik heb nooit geweten, 't doet me zo'n pijn, dat 't loon
van de arbeid zo bitter kan zijn.
5. SLUITING
Helaas kregen de mannen van De Rietschoof in juni 1968 te horen dat de fabriek gesloten werd.
Dit viel samen met het overlijden van de heer Van Driel.
In 1969 stond het volgende gedicht in de krant te lezen:
Aalst-1969
De Rietschoof in Aalst staakt "het vuren".
Het bakken zal even nog duren
en dan hoort de steen
daar ook tot 't verleen.
Wie moet het tenslotte bezuren?
De werkers die zoveel jaren,
ter plaatse daar werkzaam al waren.
Ze krijgen ontslag,
op de oudejaarsdag.
Dat laat zich tenslotte verklaren.
De Rietschoof dooft straks de vuren
Het kan daar niet langer meer duren.
Er wordt gesaneerd,
en dat loopt als gesmeerd.
Het werkvolk telt nu reeds de uren.
De één meent: te vroeg!
Nog orders genoeg,
er staat nog een opbloei te wachten.
Maar alles moet groot,
voor de Rietschoof de dood!
En dat leed kan hier niemand verzachten.
Haast een halve eeuw,
werd gewerkt als een leeuw
om de nodige stenen te bakken.
De crisistijd was
men vergeten alras.
Neen, men zat heus niet neer bij de pakken.
Straks is alles voorbij,
Na het laatste karwei
Zal de moed als een baksteen hier zakken.
De meeste optrekken op het terrein van De Rietschoof werden afgebroken om plaats te maken voor een camping. De 62 meter hoge schoorsteen van de voormalige fabriek werd pas in 1989 opgeblazen, op die plaats werden twee tennisbanen aangelegd. De paardenstallen en behuizing van de heer Van Driel zijn nog overgebleven, en worden gebruikt als woning en kantine voor de camping De Rietschoof .