Vanaf de Waaldijk in Brakel lopen vier
dammen richting rivier, de Veerdam, de Meidam, de Iependam en de
Ovendam. Aan deze laatste dam stond voorheen
de steenoven.
In oude oorkonden is al voor 1550 sprake van
de Brakelse steenovenswaard. In het archief van de familie Van
Dam van Brakel (Rijksarchief in Arnhem nrs 1271 t/m 1322) zitten
verschillende stukken die enige informatie geven over bouw en
verhuur van deze ovens.
Het oudst bekende verpachtingcontract stamt
uit 1649. Door Margrieta Torck, weduwe van Anthonis van Aeswijn,
in leven heer van Brakel, wordt dan opdracht gegeven een nieuwe
steenoven op de Visserswaard te bouwen. Deze oven werd toen door
Aryen Hermans geëxploiteerd. Vijftig jaar later is sprake van de
verpachting van de Iepenwaard door Carel Pieck aan Marinus Pompe,
wederom voor de bouw van een steenoven en de exploitatie ervan.
In het begin van de achttiende eeuw was Jacobus Buys als
steenbakker in dienst van de heer van Brakel. Maria, de dochter
van de steenbakker huwde Jan Grandia die de taak van zijn
schoonvader overnam. In 1750 verzoekt Maria de rechter van de
Bommelerwaard om verlof tot opsluiting van haar man in hun eigen
huis vanwege allerlei misdragingen. Enige maanden later besluit
het hof na verhoor van diverse getuigen zelfs om Jan Grandia in
Rotterdam "in bewaring te stellen". Maria neemt dan de
leiding van de steenoven voor enkele jaren over. Willem van
Andel, de buurman van de Grandia's is dan de onderbaas (Tussen de
Voorn en Loevestein nr 62).
Per 1 januari 1764 is het G. van Everdingen
die de steenoven huurt van Anne Frans Willem Pieck, heer van
Brakel. Vanaf 1774 exploiteert hij de steenoven geheel voor eigen
rekening.
In 1810 wordt Cornelis Schreuders aangesteld
als onderbaas op de Brakelse steenoven. In 1833 volgt Arie
Schreuders hem op. Hij geniet het voorloon van 130.-- 's
jaars, heeft vrije woning in het huis aan de oostzijde en het
gebruik van de hofbomen. Ook krijgt hij toestemming tot het
weiden van een melkbeest van de Timmerwaard tot de laan, tegen
betaling van een tijdelijke schaar geld. Hij is elke dag
verplicht het totaal aantal gevormde stenen te tellen, en op te
schrijven, hij moet toezicht houden op de werknemers zoals de
aardschieters, en aardmakers en zorgen dat er goede specie
aangevoerd wordt en dat de aarde "goed toebereid
wordt.
In 1849 verhuurt Wilhelmus van Dam de
steenoven aan Johannes Marinus van den Made, steenbakker
woonachtig te Klundert. De steenfabriek heeft dan inmiddels twee
tienmonds ovens en op het terrein staan loodsen, een woning,
schuur, stal en enkele arbeiderswoningen. Het terrein beslaat het
gedeelte tussen de krib genaamd Princes en de sloot langs de
Boterhof en de waard beneden de laan. In 1857 wordt de
steenfabriek verhuurd aan Jacob Grada van Kuyk, steenfabrikant te
Nijmegen. De heer van Brakel, Samuel P.J.C. van Dam van Hekendorp
verhuurt het geheel in 1860 aan Hendrik Marinus van den Ham
Beijerman, stenfabrikant te Waardenburg en in 1868 aan Jean
Charles van Dam, steenfabrikant te Zaltbommel. Dat na de
watersnood van 1861 maatregelen genomen moesten worden is
duidelijk. de eigenaar Samuel P.J.C. van Dam krijgt van de
minister van binnenlandse zaken in 1868 dan ook toestemming om de
kade op de uiterwaarden te verhogen tot maximale hoogte van 5
meter 28 terwijl de kruinbreedte 1,5 meter mag bedragen.
Tot 1945 heeft de
steenoven als
woonhuis gediend van de familie
van Dalen. Springstof maakte een eind aan het bestaan van dit
bouwwerk.
In de uiterwaarden zijn nog enkele resten
terug te vinden die duiden op het bestaan van deze inmiddels
verdwenen Brakelse steenoven.