In
1143 komt de naam Zuilichem voor als Solekeim, later, in 1196 als
Sulenchem. Het achtervoegsel chem of keim is afgeleid
van het woord heem, Zuilichem zou dan de woonplaats geweest
moeten zijn van een zekere persoon of stam Sole, of Sulen. Uit
bodemonderzoek is vast komen te staan dat Zuilicehm reeds in de
negende eeuw bewoond was. Ook zijn er in deze streek een aantal
Romeinse vindplaatsen ontdekt, nl. op de Uilker, (een verlande
rivierarm), de Woerd, de Kaatsheuvel en aan de Uilkersteeg. Al
deze vondsten dateren uit de eerste drie eeuwen van onze
jaartelling. In het dorp zelf, op overslaggrond, is aardewerk
gevonden, van het jaar achthonderd af. In de Middeleeuwen is de
bevolking naar de hoger gelegen gronden langs de dijken getrokken
(overslaggronden). De dijken bleken niet voldoende bescherming
tegen het rivierwater te geven dus waren de bewoners genoodzaakt
ook hun woningen te verhogen, ook de dijken heeft men gebruikt om
op te gaan wonen.
2. HEREN VAN ZUILICHEM
In 1199 wordt Reynald van Nassau als
burggraaf van Sulenchem genoemd, later werd het een heerlijkheid,
waarmee in 1435 Arnold van Herlaer, die gehuwd was met Aleydis
Pieck, beleend werd. In 1473 is er sprake van een zekere Gijsbert
Pieck. Zijn vrouw Jooste van Herlaer is eigenaresse van de
heerlijkheid Zuilichem. De heerlijkheid werd door Elisabeth van
Grevenbroeck, de weduwe van Joost Pieck in 1630 verkocht aan
Constantijn Huygens I. In 1688 gaat de heerlijkheid Zuilichem
over in handen van Constantijn II, daarna van Constatijn IV, een
neef van de laatstgenoemde. Daarna is Zuilichem nog in het bezit
geweest van zijn weduwe, Philippine Doublet, hun dochter Suzanne
Louisa, die met jonkheer Willem, baron van Wassenaar huwde,
verkoopt het uiteindelijk in 1753 aan Johan D. Boellaard, en in
1819 zijn de bezittingen overgegaan op naam van Mr. Maurits Jacob
Eyck van Zuilichem.
De kerk van Zuilichem was in
voor-reformatorische tijd toegewijd aan st. Lambertus. In 1143
bevstigde Paus Innocentius II, de kapittelkerk te Luik in bezit
van Solekeim en aanhorigheden. Zuilichem, blijkt hieruit, was
waarschijnlijk toen een parochiekerk. De kerk van St. Lambertus
te Luik had inderdaad bezittingen aan de benedenloop van de Waal
en de Maas. De kerk werd in 1659 herbouwd, waarvoor de stad
Haarlem een subsidie van f 50,-- schonk. De herbouwing betrof
waarschijnlijk een ommetseling van een Romaanse kerk. Volgens een
plattegrond van N. Tas uit 1722 en een beschrijving uit 1741 had
de kerk geen toren.
Pas in 1790 werd de
bouw van de toren aanbesteed. Deze toren bestond uit drie
geledingen, en had een eenvoudioge rondbogige ingang aan de
westkant. Op 6 augustus 1886 verwoestte een brand het inwendige ,
het dak en de torenspits.
De kerk werd
hersteld en op 21 februari 1889 weer ingewijd. In de laatste
wereldoorlog is de kerk
opgeblazen,
waarna er een nieuwe kerk verrees.
4. HET KASTEEL
Het kasteel heeft gestaan tussen de
hervormde kerk en de Nieuwstraat. het was geheel omgracht en er
behoorden stallen en koetshuizen bij. In 1543 wordt het kasteel
door troepen van Karel V verwoest. Volgens een tekening uit 1656
lag tussen het kasteel en de dijk zelfs nog een huis en een hof.
Een
plattegrond uit 1722 laat zien dat
het slot toen reeds met één punt in de Waaldijk stond. De
rivier kwam steeds dichterbij, daardoor moest de dijk steeds
teruggelegd woorden, op een Leidse
tekening
is te zien dat ten behoeve van de rijtuigen op de weg een stuk
van de muur is weggehaald. het kasteel verviel meer en meer en
dreigde in te storten.
In 1764 laat de toenmalige eigenaar J.D.
Boellaard het hoofdgebouw volledig afbreken omdat eerder al, in
1690 door het verleggen van de dijk stukken verloren waren
gegaan. Mr. M.J.Eyck koopt het compex in 1819 en liet de laatste
resten slopen en bouwde op de voorburcht een huis, welke zijn
zoon later weer afbrak. Na de tweede wereldoorlog zijn
binnendijks nog resten van fundamenten weggegraven.
Begin mei 1996 werd door
dijkverzwaringswerkzaamheden de hoek van het woongedeelte van het
kasteel weer ontdekt. Door oplettendheid en aktie van enkele
dijkbewoners werd het graven stilgelegd en allerlei instanties
gewaarschuwd. De restanten werden buitendijks enige tijd later
tot de fundamenten ontgraven, gefotografeerd en opgemeten
door het R.O.B. De hoek van het kasteel verdween vijf maanden
later onder de nieuwe dijk die richting rivier verlegd werd. De
oude dijk zou worden afgegraven en aan de binnenzijde van de
nieuwe dijk zou een schuin talud gemaakt worden. Toen was de tijd
rijp om de resterende muurresten van het gedeelte onder de dijk
te onderzoeken.
Verschillende meters van het hoofdgebouw
zijn op woensdag 16 oktober 1996
blootgelegd,
Op 17 oktober is door het R.O.B. alles nauwkeurig opgemeten en
gefotografeerd. Op de plaats van de gevonden muurresten zijn
enkele meters boven de oorspronkelijke muren weer stukken muur
nagemetseld. De ANWB heeft bij de plaats
een
informatiebord geplaatst.
De eerste korenmolen in Zuilichem stond niet
in het dorp maar aan de dijk. Op een kaart uit 1656 staat de
molen reeds aangegeven. Na een brand in 1849 wordt de molen op
dezelfde plaats weer herbouwd, echter tijdens de watersnoodramp
in 1861 zorgde het kruiend ijs er voor dat de dijk vlak voor de
korenmolen het niet meer hield en de molen door de watermassa
werd verzwolgen. Sinds 1863 prijkt de korenmolen in Zuilichem
weer fier boven de huizen uit, nu aan de westzijde van het dorp
aan de
Molenstraat. Rond 1900 wordt
Dirk van der Meijden samen met W.L. Benckhuysen eigenaar van de
molen. In het molenaarshuis ten noorden van de molen woont Dirk
van der Meijden, in de woning aan de andere kant gaat Benckhuysen
wonen. Na een noodlottig ongeval van Dirk van der Meijden zet
Benckhuysen het bedrijf voort met zijn zoon Kees. Na vijf jaar
overlijdt Kees en wordt de hulp van Engelbert Benckhuysen
ingeroepen. In de oorlog hebben de Duitsers nog een poging
ondernomen om de molen in de lucht te laten springen, de molen
overleefde het. Benckhuysen had de springlading die al
aangebracht was weggehaald en door tijdgebrek van de Duitsers is
het springen van de molen gelukkig niet doorgegaan. Engelbert
Benckhuysen neemt het bedrijf in 1958 over en blijft eigenaar tot
1965. Via een makelaar en een zandstraalbedrijf komt de molen in
1973 in handen van de familie Verweij, de molen wordt
gerestaureerd, het maalwerk en het oorspronkelijke woongedeelte
worden hersteld en op 30 oktober 1976 wordt de molen weer
feestelijk heropend.
Volgens de achttiende eeuwse
dijkrechtdeskundige Cox zijn de in de 15e eeuw
uitgevonden windmolens vanaf begin 16e eeuw in de
Bommelerwaard in gebruik genomen, zij het met wisselend succes.
Op een oude topografische tekening uit 1630, van de heerlijkheid
Zuilichem, getekend door de landmeter Manteau, in opdracht van
Constantijn Huygens, staat reeds een watermolen aangegeven aan de
Meidijk op exact dezelfde plaats waar de tegenwoordige molen nog
staat, zeer waarschijnlijk zal daar de eerste molen wel gebouwd
zijn rond 1530/1540, volgens beschrijving in het boek 'Tieler en
Bommelerwaarden 1327 -1977".
Over het wel en wee van de molen in de
negentiende eeuw is niet zoveel bekend. In 1820 wordt als
molenaar genoemd Herman Schaap. Na hem hebben drie generaties
Daggelder op de molen geleefd en gewerkt t.w.:
- Jan Daggelder, geboren 1821, overleden 1897
- Leendert Daggelder, geboren 1862, overleden 1946
- Jan Daggelder, geboren 1911, overleden 1986
Daarom wordt deze molen nog wel eens 'De Daggelder molen' genoemd, en terecht.
In 1935 is de molen, toen eigendom van de
dorpspolder Zuilichem boven de Meidijk, gerestaureerd en van een
nieuwe rieten kap voorzien. Na de restauratie in 1970, welke
echter niet voldeed, is de molen op 22 oktober 1991, na enkele
jaren te hebben stilgestaan, opnieuw na een grondige restauratie
te hebben ondergaan weer in gebruik genomen. Lineke van
Beekhuizen, stammend uit een rasechte molenaarsfamilie en
Wilfried Romp zijn thans goede opvolgers om dit mooie monument
aan de meidijk in stand te houden.
De eerste steen van het nieuwe kerkgebouw
aan de Zijlstraat werd op 2 juli 1994 gelegd door ds. P.B.
Koekkoek. in datzelfde jaar werd de kerstviering in dit gebouw
gehouden. De opening vond plaats op zondag 5 februari 1995, de
zondag voor de evacuatie. Tot de opening van dit nieuwe gebouw werden de diensten van de gereformeerde kerk gehouden in de
Molenstraat nr. 2.
8. TOT SLOT
Bronvermelding:
Tussen de Voorn en Loevestein – uitgave Historische kring Bommelerwaard, september 1974
“Kčl, Kčl, wačne tijd was tč…” – uitgave historische werkgroep Stichting De Vier Heerlijkheden – april 1995 – Europese bibliotheek Zaltbommel