Enkele keren komen we in het dorpsboek van
Zuilichem uit de achttiende eeuw, wat tegen over de watermolen.
Op 26 maart 1707, op een vergadering van geërfden, bijeengekomen
in de kerk van Zuilichem, wordt besloten om aan de timmerman uit
Dalem en Herwijnen te vragen om op 31 maart, tegelijk met de
verpachting van de dorpslanderijen, het defect aan de
watermolen te onderzoeken. Op 13 oktober 1707 is er weer een
vergadering in de kerk van de geërfden om te 'delibereren'
op welke manier ze het beste de as en de roede van de molen,
welke stuk gemalen waren, konden betalen. Er is toen door de
buurmeesters voorgesteld of het niet goed zou zijn om een
extra -ordinaire omslag te maken om zo as en roede te kunnen
betalen, en is tevens aan de timmerman gevraagd om de molen nog
eens te onderzoeken.
Op 5 juli 1708 is het defect blijkbaar nog
niet gerepareerd, want dan wordt besloten dat een buurmeester met
de timmerman en Aarnout van Genderen naar Gorinchem zullen gaan
om een nieuwe molenroede te kopen, 'en nog wel de beste die te
koop is'. 28 Augustus 1766 worden alle binnen- en
buitengeërfden om 'clocke tien' in de kerk bijeengeroepen
om aan te horen wat namens de buurmeesters, door de schout P. de
Jongh, zal worden voorgedragen. De schout stelt voor dat er twee
nieuwe platen in de molen moeten komen, en dat het scheprad eruit
genomen moet worden en de goot drooggemaakt moet worden. Ook werd
geconstateerd dat de molen te ondiep staat naardat hij groot is,
en dus niet genoeg water kan malen, 'of het dus niet beter zou
zijn om het scheprad te verlengen en de goot te verdiepen'.
Na stemming wordt met meerderheid besloten om de molen te verdiepen.
Om te verdiepen stemmen:
Om niet te verdiepen stemmen:
Jan Ruymschoot
Jan Castelijn
Lambert van Brakel
Otto Vervoorn
Gompert Blommert
Gijsbert van Buren
Jan van Eyseren
Tijs Castelijn
Klaas van Brakel
de weduwe Coyman
Dirck Walraven van Kerkwijk
Elisabeth Castelijn
de weduwe Valkhof
den rentmeester vanwege Van Randwijk
Schepen C. Timmer
Schout P. de Jongh
Willem Hak
Remet Blanken
Jacobus de Swart
namens de buurmeesters:
Jan Ruymschoot
Lambert van Brakel
G. van Buren
Tys Castelijn
Klaas van Brakel
Otto Vervoorn
J. van Eyseren
en was getekend P. de Jong, secretaris den 28 augustus 1766
27 juni 1767 wordt er weer vergaderd om een extra - ordinaire omslag
te maken om een nieuwe molenas te kunnen betalen. Veel ellende dus
met de watermolen in de achttiende eeuw.
(uit: Kčl, Kčl, wačne tijd was tč…" pagina 33, 34 en 35 - Jan van
Brakel)
HISTORIE VAN DE WATERMOLEN EN HET STOOMGEMAAL
Op een oude kaart van de heerlijkheid Zuilichem uit het jaar 1630,
getekend door de landmeter Manteau, staat aan de Meidijk al een
watermolen aangegeven. De dorpen in de Bommelerwaard besloten op
een conventie van 10 december 1530, gehouden te Bommel, om enkele,
in de vijftiende eeuw uitgevonden windwatermolens in de West-Bommelerwaard
te plaatsen. Aan het dorp Zuilichem, dat aanvankelijk nogal wat
bezwaren had tegen het zetten van een molen, werd in 1531 door hertog
Karel van Gelre toestemming verleend om een watermolen te bouwen
aan de Achterdijk, met de bepaling dat Zuilichem zijn overtollige
water "ten eeuwige dage" mocht lozen op het Esmeer. Vrijwel
zeker is de molen, mede door allerlei onenigheden met de andere
dorpen, daar echter nooit gebouwd en heeft Zuilichem zijn plannen
gewijzigd en de molen aan de Meidijk gezet. Niet lang na het jaar
1531 zal de eerste watermolen daar zijn gebouwd. Het exacte bouwjaar
is tot op heden (nog) onbekend. In het jaar 1638 moest deze eerste
molen alweer vervangen worden en werd een nieuwe achtkantige watermolen
gebouwd. Uit stukken van het dorp Zuilichem van begin achttiende
eeuw blijkt dat de in 1638 gebouwde molen toen in een hele slechte
staat verkeerde en hoognodig aan vervanging toe was. Opvolger werd
de thans nog aan de Meidijk staande achtkantige poldermolen. Het
bouwjaar van de molen was echter tot nu toe onbekend, en algemeen
staat dan ook aangegeven dat hij gebouwd is omstreeks het jaar 1700.
Onlangs werd bij onderzoek in het streekarchief in Zaltbommel tussen
de Meidijksarchieven een klein opgevouwen papiertje gevonden, dat
bij openvouwen een document bleek te zijn met het exacte bouwjaar
van de molen. In dit document verklaren de Zuilichemse inwoners
Gijsbert Bastiane (Vogelsangh), Reinier van Genderen en Mouweris
Krijnen (Hack), voor schout en schepenen van Zuilichem, voor de
oprechte waarheid, en desnoods onder ede, dat er in Zuilichem al
een watermolen had gestaan en dat deze nieuwe molen gebouwd is in
het jaar 1720 / 1721 en dat zij de oude wipwatermolen nog hadden
gekend. Volgens hun verklaring werd de nieuwe molen op dezelfde
plaats gebouwd waar de oude molen stond. Zij verklaarden dat de
oude molen werd afgebroken, verkocht en naar Driel gebracht, waar
er een korenmolen van gemaakt was. Het document vermeldt dus niet
alleen gegevens over de Zuilichemse watermolens, maar zegt ook iets
over de bouw van een korenmolen te Driel in het jaar 1720. Genoemd
document werd opgesteld op 29 juli 1743 in verband met de tweede
verdeling van de Meidijk. In het jaar 1704 was de Meidijk al voor
de eerste keer opgemeten en volgens een ingewikkelde verdeelsleutel
werd aan elk dorp boven de Meidijk een dijkvak toegewezen voor gemeenschappelijk
onderhoud, waarbij het dijkvak van Driel juist voor de molen kwam
te liggen. Bij de bouw van de molen was Zuilichem met Driel overeengekomen
dat Driel de wilgenbomen, zowel binnen- als buitendijks, binnen
een maand zou kappen, om de molen niet te hinderen. Afgesproken
was dat Driel zelf het gekapte hout mocht houden "ten eigen
gerieve". Zuilichem zou als tegenprestatie van Driel, voor
eventuele schade, door het kappen ontstaan, f40,-- betalen en daarenboven
de dijk aanvullen met aarde en verbreden tot 36 voet, zodat twee
wagens elkaar konden passeren. Omdat Zuilichem, met kennis van Driel,
ook nog de afspraak had gemaakt om een gedeelte van de zogenaamde
"Drielse Meidijk" te vergraven, voor de bouw van de nieuwe
watermolen, waren de andere dorpen hierover zo kwaad geworden, dat
zij hierin niet gekend waren, dat zij, volgens het resolutieboek
van 13 augustus 1721, er serieus over dachten de molen te laten
afbreken, wat dan echter tot schade van het dorp Zuilichem zou zijn.
Door de dorpen boven de Meidijk werd zelfs betwijfeld of Zuilichem
wel het recht had om een molen op zijn eigen grondgebied te zetten.
Volgens een resolutie van 28 juli 1743 zou de molen alleen mogen
blijven staan als Zuilichem zou zorgdragen dat de Meidijk 10 roeden
boven en 10 roeden beneden de molen zou worden verbreed. Tot 36
voet, en dat, volgens een oud molenreglement, geen opwassende bomen
meer mochten worden gepoot dan op 100 roeden uit de molen, en knotwilgen
op 50 roeden. Kennelijk heeft Zuilichem aan deze voorwaarden voldaan,
want de molen is blijven staan. Opgemerkt dient te worden dat de
loop van de Meidijk in de achttiende eeuw anders was dan thans het
geval is, de dijk liep toen niet dwars door de wiel, maar boog ter
hoogte van het voetbalveld richting molen en liep dan tussen twee
kleinere wielen door om ongeveer ter hoogte van de Molenkampsweg
weer op een recht stuk Meidijk te komen. Als eerste watermolenaar
op de nieuwe molen wordt genoemd Jan Spaan. Kort na ingebruikname
van de molen, gebeurt al een ernstig ongeluk, als op 31 mei 1721
de vijftigjarige Zuilichemer Cornelis Janse de Hardt door een molenwiek
wordt doodgeslagen. Ook het molenaarsgezin Spaan maakt een drama
mee, als op hun molen op 17 januari 1724, van hun zoontje, tussen
de zes en zeven jaren oud, bijna het gehele hoofd wordt weggeslagen.
Een ander kind uit dat gezin verdrinkt op de leeftijd van anderhalf
jaar op 19 mei 1726 in de treksloot bij de molen.
De molen was aanvankelijk een voormolen, zo genoemd, omdat hij
het water rechtstreeks in de gegraven boezem sloeg, die via de sluis
in de Leendertdijk uitwaterde in het Esmeer. Dikwijls kon bij windstil
weer en bij hoge waterstand op de Maas niet gemalen worden. Gevolg
hiervan was, dat het water onvoldoende weggemalen kon worden en
er in de achttiende eeuw jaren waren dat het Zuilichemse veld zowat
het gehele jaar onder water bleef staan. Op 28 augustus 1766 werd
door schout, buurmeesters en geërfden in de kerk van Zuilichem
een vergadering belegd om komende grote reparaties aan de molen
te bespreken. Vastgesteld werd o.a. dat de molen te ondiep stond,
naar dat hij groot was, en hierdoor niet genoeg water kon malen.
Op de bijeenkomst werd besloten om het scheprad te verlengen en
de boezem dieper te maken. Maar de problemen bleven bestaan, want
omstreeks 1770, exacte bouwjaar (nog) onbekend, werd er in Zuilichem
aan de Meidijk een tweede watermolen gebouwd ter assistentie van
de reeds bestaande molen, die hierdoor zijn status zag veranderen
van voormolen naar achtermolen. Later is op deze plaats een stoomgemaal
gebouwd. Resten van dit gemaal zijn op de hoek Meidijk / Heemstraweg
aan de Aalsterse kant nog duidelijk te zien
Nadat in het jaar 1766 aan de uit 1721 daterende Zuilichemse watermolen
enkele aanpassingen waren verricht, o.a. aan het scheprad en de
afwateringsboezem, was deze molen toch niet bij machte voldoende
water uit de Zuilichemse polder weg te malen. Daarom werd in één
van de jaren tussen 1770 en 1774 (exacte bouwjaar nog onbekend)
ter assistentie van de bestaande molen pal langs de Meidijk nog
een tweede watermolen geplaatst, met als gevolg dat deze nieuwe
molen als voormolen ging fungeren en de bestaande molen degradeerde
naar de status van achtermolen. . Over deze nieuwe molen is niet
zo veel bekend, wellicht heeft hij niet aan de verwachtingen voldaan,
want in 1834 werd hij alweer vervangen. Op dezelfde plaats werd
toen weer een nieuwe achtkantige watermolen gebouwd met stenen onderbouw.
Wat bouw betreft was deze molen bijna gelijk aan de reeds bestaande
molen. Beide molens hadden, volgens opgave van de poldermeesters
Ruijmschoot en Dingemans, in april 1852 gedaan, een vlucht van 28,85
meter, een verschil was dat de nieuwe molen een dubbel binnenwerk
had met een hoog en laag scheprad. Maar in de uitermate natte jaren
1854/1855 en ook nog verschillende jaren hierna stonden beide molens
door het windstille weer en de hoge stand van het Maaswater wekenlang
buiten spel. In deze jaren bleef het Zuilichemse veld dan ook nagenoeg
het gehele jaar onder water staan. In die periode kon er nauwelijks
worden gezaaid en gepoot, met als gevolg dat er veel armoede en
honger geleden werd in de Zuilichemse gezinnen. Dit was ook van
toepassing op de andere dorpen in de Bommelerwaard. Door het polderbestuur
werd dan ook in 1855 besloten om de in 1834 gebouwde molen, tegelijk
met de windwatermolen van Aalst, te verkopen. De verkoping van beide
molens vond plaats op 20 december 1855 in het "stadskoffiehuis"
te Zaltbommel, ten overstaan van notaris Hoffman van Hove. De Zuilichemse
watermolen werd voor f 780,-- gekocht door Jan Arnoldus Looijen
en Cornelis de Groot, aannemers te Heukelum en Laurens Kerkwijk,
smid te Gameren. De molen van Aalst bracht f 810,-- op, kopers hiervan
waren Hermanus van Amstel te Zijderveld, Jan van der Wal te Aalst
en Hermen van der Meijden, korenmolenaar te Zuilichem. Enkele onderdelen,
zoals zeilen, werden nog aan diverse personen verkocht. In totaal
brachten beide molens f 2065,-- op.
Intussen waren de stoomgemalen bezig hun intrede te doen in de
Bommelerwaard, ook het polderbestuur van Zuilichem had reeds inlichtingen
ingewonnen om zo'n "nieuwmodisch stoompompwerktuig" te
plaatsen. In de poldervergadering van 13 mei 1857 werd het besluit
genomen voor de bouw van een stoomgemaal op de achtkantige fundamenten
van de voormalige windwatermolen.
Op 16 juni 1857 werd een aanvraag voor de bouw ingediend en op 30
juni werd door Gedeputeerde Staten van Gelderland al vergunning
verleend voor de bouw van een stoomgemaal aan de Meidijk. De bouw
van het gemaal was begroot op f 11000,-- inclusief onteigening van
de grond en het graven van een afwateringskanaal. In het stoomgemaal
werd een zuiggasmotor op kolen , 20 PK geplaatst volgens het stelsel
Keiser en Schmeitz, kosten hiervan was f 15000,-- Ook was nog f
5000,-- nodig voor het bouwen van een kolenbergplaats en het veranderen
van het achtkantig fundament van de oude watermolen. Het polderbestuur
moest hiervoor een lening van f 20000,-- aangaan bij Gedeputeerde
Staten van Gelderland. Op 23 augustus 1858 vond tot ieders volle
tevredenheid de proefbemaling plaats. Het gemaal dat zo'n 40 kubieke
meter water kon uitstuwen was een enorme verbetering voor de Zuilichemse
polder, die nu niet meer direct van de wind afhankelijk was. Als
eerste machinist op het nieuwe gemaal werd aangesteld Jan Ofman
uit Zuilichem, opgevolgd door Sander Mintjes Posthuma, en na hem
door zijn zoon Sander Roukus Posthuma, die met meer dan 40 dienstjaren
machinist van het gemaal is geweest. In de oorlogsjaren 1940/45
heeft het gemaal nagenoeg geen dienst gedaan, mede ook doordat de
Duitsers enkele vitale onderdelen uit het gemaaltje hadden gesloopt.
Na de oorlog werd nog als hulpmachinist aangesteld de heer A.C.Rüger.
In 1951 werd door het polderbestuur van Zuilichem besloten om de
zelfstandige bemaling van hun polder op te heffen. Als in 1954 met
het opheffen van de dorpspolders wordt aangesloten op de elektrische
gemalen, is het gemaaltje overbodig en wordt het gesloopt. Alleen
de fundamenten, van wat eens een mooi gebouwtje was zijn nog te
zien in de hoek van de kruising Van Heemstraweg / Meidijk